Sporen van dassen
Een das laat zichzelf niet zo makkelijk zien. Voor het vaststellen van de aanwezigheid van dassen zal je dan ook voornamelijk af moeten gaan op sporen.

Dassenwissels

Dassen verplaatsen zich lang vaste routes, zogenaamde ‘dassenwissels’. Dassen herkennen die paden door een geurspoor dat ze dankzij hun uitstekende neus feilloos terug weten te vinden. Als mens zal je je moeten behelpen met de visuele kenmerken van zo’n wissel. Afhankelijk van het aantal dassen dat van de wissel gebruik maakt, de bodemgesteldheid en de versheid van de sporen, is zo’n wissel herkenbaar als een min of meer platgetreden smal pad.


Wanneer zo’n wissel onder laaghangend prikkeldraad doorloopt, blijven er vaak wat karakteristieke dassenharen achter.



Soms liggen er op een dassenwissel restanten van nestmateriaal, dat de das naar zijn nest vervoerd heeft.













dassen prenten

Met een beetje geluk vindt je op een dassenwissel of bij een burcht een pootafdruk van een das, een zogenaamde ‘dassenprent’. Deze dassenprenten zien er het zelfde uit als van een beer, maar dan kleiner. Bij een goede afdruk zijn de vijf teenkussentjes en de vijf lange nagels zichtbaar. Op hardere ondergrond zijn de duimnagel en het duimkussentje meestal niet goed te zien.


dassenprint, 4 kussentjes en 4 nagels zichtbaar zichtbare afdruk van de kussentjes en nagels rood omlijnd het meestal niet zichtbare kussentje en nagel schematische dassenprent

Een pootafdruk van de voorpoot van een volwassen das is tussen de 50 en 55 millimeter breed en 50 millimeter lang (gemeten zonder nagelafdrukken).

De achterpoot is tussen de 35 en 45 millimeter breed en 45 millimeter lang.
De prenten van een jonge das kunnen verward worden met die van een kat.



Op de website van de dassenwerkgroep Brabant kun je de dassenprent vergelijken met die van een hond en een vos.
Naar website van dassenwerkgroep Brabant

Dassenharen

Dassenharen, die je soms in prikkeldraad of bij een burcht kunt aantreffen, zijn ongeveer zeven centimeter lang. Vanaf de wortel eerst vier centimeter wit, dan twee centimeter zwart en tenslotte een wit puntje. Een dassenhaar is sterk en niet makkelijk kapot te trekken. Deze haren geven de das een overwegend grijs uiterlijk.



Mestputjes en snuitputjes

Op plaatsen waar een das naar voedsel speurt, laat hij soms zogenaamde ‘snuitputjes’ achter. De das maakt ze met zijn voorpoot en wroet er daarna met zijn snuit in rond. Zo’n snuitputje is ongeveer tien centimeter in doorsnede en een paar centimeter diep.
Bij het zoeken naar wormen, zijn hoofdvoedsel, laat de das geen sporen na.

Een andere karakteristieke aanwijzing voor de aanwezigheid van dassen zijn ‘mestputjes’.
Dit zijn zelf gegraven kuiltjes en zijn tien tot vijftien centimeter diep. In tegenstelling tot die van een kat blijven mestputjes van een das open.
Mestputjes vind je in de omgeving van de burcht en bij de foerageergebieden.
Dassen gebruiken ze ook om de grenzen van hun territorium mee aan te geven.
Vooral op plekken waar dassen actief zijn langs de grens van die verschillende territoria, bevinden zich vaak concentraties van mestputjes. Binnen een territorium van één dassenfamilie gebruikt een aanstaande moederdas soms mestputjes, om te zorgen voor de nodige privacy rond haar kraamburcht.


verder lezen


Stichting Das&Boom | Rijksstraatweg 174 | 6573 DG Beek-Ubbergen | (024) 684 22 94 | www.dasenboom.nl