Dassenbescherming

Dassenbescherming

Na eeuwen van uitgraven, strikken, klemmen, vergiftigen, martelen, uitroken en doodschieten is de das sinds 1942 beschermd verklaard in de jachtwet.
Deze bescherming betekende, dat de jacht op de das doorlopend gesloten is.

Aanvankelijk bleef het mogelijk om toch een afschotvergunning te krijgen als er sprake was van onder meer landbouwschade.
In 1960 bleek dat de dassenjacht sinds 1942 niet was afgenomen, maar door vergunning gelegaliseerd, gewoon was doorgegaan. Dit was toen eindelijk aanleiding om de jacht definitief te sluiten.

In de Natuurbeschermingswet van 1967 werd de das wel beschermd, maar zijn leefgebied nog niet.



Huidige beschermde status van de das


In 2001 is de Flora- en faunawet van kracht geworden .

In deze Flora en faunawet heeft de das een beschermde status en staat in de bijbehorende bijlage in tabel 3 (behorende bij artikel 75), wat betekent, dat de das en ook zijn burcht en directe leefomgeving streng beschermd zijn .

Beschermde dieren mogen niet worden gedood, gevangen of verontrust en het is niet toegestaan hun directe leefomgeving te beschadigen, vernielen of verstoren.

Ook is het verboden dassen te vervoeren, onder zich te hebben en uit te zetten (naar de letterlijk tekst verbodsartikelen).


Das&Boom heeft als opvangcentrum een ontheffing van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit voor deze 'verboden handelingen' om daarmee legaal dassen te kunnen opvangen en uitzetten.

De das staat op een doelsoortenlijst van het Ministerie van EZ. Dat betekent, dat de das vanwege zijn relatieve zeldzaamheid met prioriteit aandacht krijgt in het natuurbeleid .

In het Verdrag van Bern (1982) wordt de das genoemd als soort van bijlage 3 (Convention on the Conservation of European Wildlife and Natural Habitats, appendex III).
Dat betekent dat de das wordt aangemerkt als beschermde diersoort.

Deze Conventie van Bern is een internationaal verdrag over het behoud van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten en de daarbij behorende grensoverschrijdende natuurlijke leefmilieus (habitats) in Europa. Bijzondere aandacht wordt besteed aan kwetsbare soorten en aan soorten die met uitsterven worden bedreigd.

Sinds 2017 is de bescherming van de das geregeld in de Wet natuurbescherming




De das, van 'schadelijk' naar beschermd


Zoogdierbescherming in Nederland is betrekkelijk nieuw.
De eerste wetten, die iets regelden rond inheemse zoogdieren waren de jachtwetten.
De allereerste jachtwet van 1824 probeerde de wildstand, die behoorlijk te lijden had gehad, weer op peil te brengen. Erg effectief was deze wet niet; in 1826 stierf de bever uit in en in 1869 sneuvelde de laatste wolf. De bescherming gold dan ook niet voor het zogeheten 'roofwild', als concurrent van de jager. De jacht op deze roofdieren werd zelfs met premies gestimuleerd.
Langzamerhand groeide het inzicht, dat sommige dieren ook 'nuttig' kunnen zijn en dat sommige soorten dus beschermd zouden moet worden, net als hun leefgebieden.

Nuttige dierenwet
In de Nuttige Dierenwet uit 1880 werden zoogdieren voor het eerst echt beschermd. Het ging echter alleen om dieren, die nuttig werden geacht voor de landbouw. Dat gold niet voor de das. De oproep van sommige biologen om ook zeldzame en 'merkwaardige' dieren te beschermen kwam te vroeg.
De das werd tot dan toe enkel genoemd in de jachtwet en gold als 'schadelijk wild'.
In 1942 werd de das samen met de boommarter en de otter gepromoveerd tot 'pelswild', waarmee de jacht op deze dieren gesloten werd.
Toch verleende de overheid tot 1960 regelmatig vergunningen voor het afschieten van dassen, onder meer als er sprake was van landbouwschade. In 1960 bleek dat de jacht op de das, door die vergunningen gelegaliseerd, gewoon was doorgegaan. Burchttellingen in 1958 en 1959 wezen uit, dat het zeer slecht gesteld was met de dassenpopulatie in Nederland. Vanaf 1960 werd de jacht op de das definitief gesloten.

De jachtwet van 1954 bood de overheid de mogelijkheid landbouwschade te vergoeden. Bovendien konden landbouwers een vergoeding krijgen voor het gedogen van burchten op hun land. Landbouwschade door dassen werd vanaf de jaren zestig opgelost, door dassen weg te vangen en ze te verplaatsen naar gebieden waar ze verdwenen waren.

Natuurbeschermingswet
Alle wetgeving rond inheemse dieren beschermde tot ver in de twintigste eeuw uiteindelijk alleen mensenbelangen. Pas in het Besluit Beschermde Inheemse Zoogdieren van 1973 (onderdeel van de Natuurbeschermingswet van 1967) werden inheemse dieren echt beschermd, onafhankelijk van het nut van zo'n dier voor mensen. Oorspronkelijk gold deze bescherming nog niet voor de das, die werd pas in 1994 samen met de Noorse woelmuis aan het rijtje toegevoegd. In de Natuurbeschermingswet was het doden, maar ook het verstoren van beschermde dieren strafbaar. In de Natuurbeschermingswet konden ook belangrijke gebieden worden aangewezen als natuurreservaat. Naar aanleiding van tegenvallende burchtinventarisaties in 1958 en 1959 stichtte Staatsbosbeheer in 1959 een dassenreservaat, de 'Groeningse en Vortumse Bergjes' in het Maasheggengebied.

Habitatrichtlijnen
In de jaren tachtig van de vorige eeuw ontwikkelde de Europese Unie richtlijnen voor de bescherming van diersoorten en leefgebieden. Dit resulteerde in 1992 in de ┬┤Habitatrichtlijn┬┤, waarin de bescherming van natuurlijke en half-natuurlijke habitats (leefgebieden) centraal staat.
Gebieden, die in die richtlijnen een extra bescherming genieten, moeten uitgroeien tot een Europees netwerk van natuurgebieden, 'Natura 2000'. Dit Europees netwerk lijkt op de Nederlandse Ecologische Hoofdstructuur, maar de Natura 2000 gebieden zijn veel strenger beschermd.

Flora en faunawet
De Europese natuurwetgeving is in Nederland qua soortbescherming uitgewerkt in de Flora- en Faunawet. Ook de zogenaamde intrinsieke waarde van dieren, dus de eigenwaarde, los van nut of eventuele schadelijkheid voor de mens, vormde de basis voor die pas in 2003 ingevoerde Flora en faunawet.
In de wet is bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden. Ook is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, zoals burchten, te beschadigen, te vernielen of te verstoren.
De wet gaat uit van het "nee, tenzij "-beginsel. Beschermen staat voorop, ingrijpen is een uitzondering.

Ontheffingsmogelijkheden

Dat betekent echter niet, dat de das nu eindelijk met rust gelaten wordt.
In het steeds voller wordende Nederland moeten dassen nog steeds wijken voor onder meer stadsuitbreiding en nieuwe wegen.
In de Flora en faunawet wordt in artikel 75 geregeld, wanneer en onder welke voorwaarden van de verbodsbepaling mag worden afgeweken.
In een aan dat artikel gekoppelde Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) is sprake van drie maten van bescherming en ontheffingsmogelijkheden, weergegeven in drie tabellen.
De das geniet daarin de hoogst mogelijke bescherming (tabel 3). Er worden alleen ontheffingen verleend voor het verstoren van dassen, wanneer er 'geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort', er 'geen andere bevredigende oplossing bestaat' of met het oog op 'andere, bij AMvB aan te wijzen belangen'.



Beschermd tot in lengte van dagen?
In 2004 heeft Das&Boom weten te voorkomen, dat de beschermde status van de das gelijk zou worden gesteld aan die van de vos, die in tabel 1 van bovengenoemde AMvB staat. Das&Boom heeft de toenmalige minister van LNV, dhr. Veerman, ervan weten te overtuigen dat de das toch echt thuishoort in tabel 3.
De aan de indeling ten grondslag liggende kilometerhoktelling valt namelijk voor de das erg ongunstig uit, waardoor een vertekend beeld ontstaat over de presentie van de das. Bovendien kon Das&Boom dhr. Veerman bij een bezoek duidelijk maken, dat de das een bijzonder sympathiek, maar ook tamelijk sullig dier is, die als het even tegen zit in zeven sloten tegelijk loopt en dus in ons overvolle landje tot in lengte van dagen beschermd zal moeten worden.
Dat zijn we zo langzamerhand toch wel aan de das verplicht


verder lezen


Stichting Das&Boom | Rijksstraatweg 174 | 6573 DG Beek-Ubbergen | (024) 684 22 94 | www.dasenboom.nl