Das&Boom Das&Boom KIDS!
Landbouwschade en overige schade door dassen
Ecologische overwegingen

Schade door dassen
Dassen zijn als bewoners van het cultuurlandschap voor een deel aangewezen op voedsel dat ze moeten verzamelen in weilanden en akkers. Hoewel dassen bij het bemachtigen van hun belangrijkste voedselbron, regenwormen, geen schade veroorzaken, gebeurt dat soms wel als de das zijn toevlucht neemt tot onder andere maïsakkers. Dassen duwen maïsstengels plat en eten de maïskorrels op of vreten ze aan.
De inkomstenderving (schade) hiervan is in de meeste gevallen beperkt. Uit recent onderzoek in Zuid Limburg (zie hiernaast) blijkt dat die gemiddelde schade per perceel circa 2,9 are is (oppervlakte van 29 x 10 meter) .

Het voorkomen van deze schade door het nemen van preventieve maatregelen is gezien de grote oppervlaktes niet rendabel noch zinvol.

Ook wegvangen of doden van dassen om schade te voorkomen is geen begaanbare weg, omdat dat op gespannen voet staat met een belangrijke beleidsoverweging, namelijk het streven de das in een lokaal gunstige staat van in stand houding te brengen en te houden.
Wegvangen of doden is bovendien zeer ongewenst, om de volgende redenen:

Dassen zijn territoriale dieren, die om ecologische redenen in aaneengesloten territoria leven. Ook beleidsmatig is het streven om dassenpopulaties in die aaneengesloten leefgebieden te handhaven. Wanneer in één territorium dassen zouden worden verjaagd, gevangen of eventueel worden afgeschoten, zou dat lege territorium na verloop van tijd weer bevolkt worden door andere dassen. Dit biedt dus geen structurele oplossing voor het voorkomen van schade of overlast.
Het is vrijwel onhaalbaar om hervestiging van dassen op de bestaande locatie te voorkomen, zodat er dus tot in lengte van dagen dassen geschoten moeten worden, om het gewenste resultaat te bereiken.
In tegenstelling tot de relatieve langzame uitbreiding van een dassenpopulatie aan de randen van hun leefgebied (langzame kolonisator), zullen dassen een (door het wegvangen van een bestaande familie) leeg bestaand dassen territorium met bestaande wissels en burchten, snel heroveren.
Het eventueel doden van dassen is maatschappelijk gezien zeer controversieel en zou dus veel weerstand oproepen. Het zou in het beleid een ommekeer betekenen, die niet is uit te leggen.
Ervaring in onder meer Engeland (badgercull) heeft bovendien uitgewezen dat het afschieten van dassen erg lastig is, leidt tot onaanvaardbaar dierenleed en extreem hoge kosten. Dat was de reden voor de ‘British Veterinary Association’ om haar medewerking aan de door de overheid georganiseerde lokale dassenruiming in te trekken. Een dergelijk aanpak in Nederland zou al snel leiden tot een overtreding van art 2.1 lid 1 van de Wet dieren.
De dassenpopulatie zal zeer nadelig beïnvloed worden door wegvangen of doden van dassen, omdat dit, net als bij verkeersslachtoffers, dan niet alleen oude of zieke, maar ook kerngezonde dieren worden gedood. De dassenpopulatie krijgt hierdoor een onnatuurlijke opbouw en is voortdurend instabiel.
Ervaring van Das&Boom en Alterra wijst uit, dat wegvangen van (alle) dassen uit een burcht vrijwel onhaalbaar is zonder het inrasteren van een complete burcht. Dit is een tijdrovend en bovendien kostbaar proces, waarbij die kosten in de meeste gevallen niet in verhouding staan tot de kosten van de schade of overlast. Voor de gevangen dassen zal een nieuwe locatie gevonden moeten worden met een reële kans op overleving, omdat anders alle moeite van het vangen en verplaatsen niet zinvol is. Ook dat brengt veel kosten met zich mee.
Verjagen is zonder toepassen van zeer dieronvriendelijke methodes( en dus op gespannen voet staand met de bepalingen van de Wet dieren, art. 2.1 en de Wet natuurbescherming, art 1.11) vrijwel onhaalbaar. Mocht het echter lukken dassen van een burcht te verdrijven, dan zullen ze elders (op ongewenste plekken) opduiken, sneuvelen in het verkeer of door voedselgebrek. Ook dit scenario voor de betrokken dassen is niet te verenigen met de bepalingen van de Wet dieren.




Op deze webpagina wordt een aantal veel voorkomende situaties en activiteiten beschreven, waarbij sprake is van strijdige belangen tussen mens en dier, in dit geval mens en das.
Per activiteit worden de ecologische en de juridische componenten vanuit het gezichtspunt van de Wet natuurbescherming behandeld, gevolgd door een aanbeveling
.




Van Rijn, S. Dassenschade in maïsakkers en graslanden in Zuid-Limburg, Rapport Delta Milieu Culemborg, 2015, in opdracht van de provincie Limburg

Schade aan graslanden, voetbalvelden, golfbanen e.d.


Dassen eten voornamelijk regenwormen. Deze komen 's nachts zelf aan de oppervlakte om te eten en worden dan voorzichtig door dassen uit de grond getrokken. Hierbij ontstaan geen zichtbare sporen, laat staan schade. Wanneer dassen onvoldoende regenwormen kunnen bemachtigen, gaan ze noodgedwongen op zoek naar alternatieven. Dat gebeurt bijvoorbeeld, wanneer door droogte de wormen zich dieper in de grond terugtrekken.
Sinds steeds meer boeren mais gaan verbouwen op voormalige weilanden, moeten dassen steeds vaker noodgedwongen uitwijken naar het eten van maïs in plaats van regenwormen.
Omdat dassen daarvoor maisstengels om moeten duwen, leidt dat tot een vermindering van de opbrengst van zo’n akker, dus tot inkomstenderving voor de boer.

Gedurende een aantal weken in het voorjaar en najaar bevinden zich emelten en engerlingen (larven van de langpootmug en van kevers) direct onder de grasmat.
Dassen sporen ze op en graven ze uit. Dit foerageergedrag veroorzaakt wel enige (secundaire) schade aan grasvelden (de larven zorgen voor de primaire schade door het knagen aan de graswortels ).

Na een paar weken lost de overlast vanzelf op, omdat de larven dan om te overwinteren dieper in de grond kruipen of in de zomer transformeren tot volwassen langpootmuggen en kevers.
Dassen schakelen dan weer over op het zoeken naar regenwormen of andere voedselbronnen.
Deze schade is te voorkomen of te beperken door deze larven (biologisch) te bestrijden.
Afgezien van biologische bestrijding zijn er weinig rendabele mogelijkheden om vraatschade te voorkomen. Omdat de schade na twee maanden vanzelf weer verdwijnt zijn rasters e.d. meestal niet rendabel.
Omdat (permanente) rasters de toegankelijkheid van het foerageergebied van de dassen kunnen belemmeren, zouden deze alleen moeten worden toegestaan als er sprake is van het inrasteren van een relatief klein oppervlak (kapitaal intensive teelt) en als het raster de toegang tot andere foerageer-mogelijkheden van de das niet belemmert.
In sommige gevallen kan schrikdraad een oplossing bieden, maar ook hiermee zijn wisselende resultaten behaald.
Schade aan grasvelden wordt overigens ook veroorzaakt door wilde zwijnen en kraaien, waarbij de schade veroorzaakt door kraaien moeilijk te onderscheiden is van de schade veroorzaakt door dassen.



Overige schade door dassen


In incidentele gevallen kunnen dassen door graafwerk potentiële schade veroorzaken aan opstallen of bijvoorbeeld dijken. Omdat dergelijk graafwerk meestal in een vroeg stadium wordt ontdekt, kan de das met eenvoudige ontmoedigende maatregelen (hol regelmatig voor driekwart dichtgooien) worden aangezet tot vertrekken.
Dit is dan ook de gangbare praktijk bij waterkerende dijken.
Controlerende instanties hebben hiervoor een speciale ontheffing. In deze ontheffing wordt aangegeven dat regelmatig gecontroleerd moet worden, zodat alleen beginnende graafactiviteit ontmoedigd wordt en geen dassen, die zich al ruimschoots gevestigd hebben op een nieuwe locatie.

Juridische overwegingen


Artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming biedt gedeputeerde staten in beginsel de mogelijkheid, om in een groot aantal situaties ontheffing te verlenen voor de beschermende maatregelen voor dassen. De redenen voor een dergelijke ontheffing zijn omschreven in art. 3.8, lid 5 onder b en art. 3.10, lid 2, en omvatten behalve dwingende redenen van groot openbaar belang (net als in de Flora- en faunawet) ook onder andere reden als het voorkomen van schade op sportvelden en (ernstige) schade aan gewassen.
Er kan alleen een ontheffing worden afgegeven, wanneer er ook voldaan wordt aan elk van de in a en c genoemde voorwaarden, namelijk dat er ‘geen andere bevredigende oplossing bestaat’ en dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding.
In vrijwel alle gevallen is er echter wel degelijk een bevredigende oplossing, namelijk de vergoeding van de schade door de Provincie.
Omdat ingrepen in de dassenpopulatie bovendien meteen effect hebben op de lokale staat van instandhouding van de dassenpopulatie, kan een ontheffing ook om die reden niet worden afgegeven.


Aanbevelingen overlast door dassen


Het beleid zou gericht moeten zijn op het verbeteren van de relatie tussen agrariërs en dassen, zodat de das geaccepteerd wordt als onderdeel van het cultuurlandschap, waarbij enige schade voor lief wordt genomen.
Omdat landbouwschade door dassen, aangezien het om een beschermde diersoort gaat, moeilijk zonder kostbare investeringen voorkomen kan worden door het nemen van preventieve maatregelen, adviseert Das&Boom;

aanbevelingen:


schade voor 100% te vergoeden.
geen behandelkosten (leges) voor aanvraag schadevergoeding.
subsidiemogelijkheden te overwegen voor het (tijdelijk) inrasteren van kapitaalintensieve teelt (bijv. druiven).
subsidiemogelijkheden te overwegen voor preventieve maatregelen voor sportvelden.
preventieve maatregelen te stimuleren (zie Faunaschade Preventiekit (FPK) : gewaskeuze, afzien van omploegen maïskolven.
verder onderzoek naar bovengenoemde opties bevorderen.
voorlichting over bovengenoemde opties bevorderen.


terug naar 'Advies over uitvoering Wet natuurbescherming in de praktijk'

REALISATIE: SITEWISE WEBMEDIA