Das&Boom Das&Boom KIDS!
Dassenvervolging


De basis voor het conflict tussen mens en das werd gelegd op het moment, dat de mens ervoor koos zich te vestigen op de plek waar de das al sinds vele eeuwen huisde. Het samen delen van de hoger gelegen en overstromingsvrije plaatsen was aanvankelijk niet zo'n probleem. Alleen bij hoog water, als de das zich bij gebrek aan beter te goed deed aan tamme hoenders en konijnen, liep het fout. De argeloze dassen ontdekten ook, dat de akkertjes, die de mensen met veel moeite wisten aan te leggen, lekkere granen leverden.


















Klemmen verboden, maar nog steeds geen verleden tijd


In 2003 werd bij Overasselt door Das&Boom een zogende das gered, die in een weiland beklemd zat onder prikkeldraad. Aan haar buik hing een klem, waarvan de bevestiging was losgeraakt. De jongen stierven de hongerdood, de das heeft het drama overleefd, omdat de klem slechts oppervlakkig vastzat. Ze kon naar een paar maanden revalidatie bij Das&Boom weer worden uitgezet.

De zogenaamde schadelijkheid van de das werd allengs aangedikt en al snel werd de das afgeschilderd als een roofdier, dat louter uit bloeddorstigheid hele veestapels om zeep hielp.
De das kreeg de status van ongedierte, schadelijk wild.
De verhoudingen werden er niet beter op, toen de mens zich bepaalde wilde diersoorten ging toe-eigenen onder het mom van jachtwild. De natuurlijke vijanden van deze dieren werden als 'schadelijk' betiteld en samen met andere roofdieren en roofvogels werd de das vogelvrij verklaard.
De dassenstand kreeg harde klappen te verduren, maar kon dit eerst nog wel aan. In die tijd waren er nog voldoende ondoordringbare oorden, van waaruit dassen gebieden konden herbevolken, waar hun soortgenoten waren uitgemoord.
Anders werd het in de twintigste eeuw, toen het aantal Nederlanders sterk toenam en grote delen van het land werden ontgonnen.
De das werd nu overal als een probleem ervaren en de bestrijdingsmiddelen werden steeds daadkrachtiger ingezet.
In Zuid-Limburg, met name de Mijnstreek, groeide de dassenjacht uit tot een waar volksvermaak.


Dassengevechten

Praktisch ieder dorp had een gilde, dat zich met de dassenjacht bezig hield. De gildebroeders droegen als vaandel twee aan elkaar verbonden stokken met een jute zak ertussen.
Met behulp van bullterriërs en lange dassentangen werd de hevig tegenstribbelde das gevangen en in zo’n jutezak gestopt, die met stokken kon worden gesloten. Stevig ingesnoerd werd de das naar huis gebracht, om voor de verzamelde leden van de dassenclub te moeten vechten tegen honden. Om te voorkomen dat de opgehitste honden te zwaar zouden worden toegetakeld, werd de das met een tang van zijn hoektanden en nagels ontdaan en soms werden zelfs zijn ogen uitgestoken.



In Zuid-Limburg werd tot 1960 toe dassenvlees op straat verhandeld en zelfs tegenwoordig zijn er onderhands nog steeds potjes dassenvet te koop. Dassenvet werd geacht een geneeskrachtige werking te hebben op allerlei mijnwerkerskwalen.

Ron 1990 werden op de Sint-Jansberg bij Mook dassen uitgegraven en levend meegenomen. De jongen lagen doorgebeten op de burcht even buiten het diepe gat dat er gegraven was.



Klemmen en strikken

Ook buiten Limburg werd de das meedogenloos vervolgd. Daar werd de jacht voornamelijk beoefend met strikken, klemmen en geweren.
Strikken werden geplaatst op een dassenwissel. De das raakte verstrikt en stierf vaak met diepe vleeswonden, pas na een dagenlange doodsstrijd .
Ontwortelde, van schors ontdane of zelfs geheel ondergraven bomen markeerden jaren later nog de plek, waar een das zich wanhopig had geprobeerd te bevrijden.
Ook klemmen werden op wissels geplaatst met voor de das eenzelfde resultaat.


In 1980 vond de voorzitter van Das&Boom, Jaap Dirkmaat, een verroeste dassenstrik bij Bergharen, op een plek, waar al dertig jaar lang geen das meer was geweest. De strik stond nog op scherp. Toen hij probeerde het ding los te krijgen, kwam een oud mannetje in een overall de bult oplopen. Toen Jaap vertelde, waar hij mee bezig was, reageerde het mannetje met: "Nee, die mot je mooi laten staan, die staat daar veur de'n das".
"Maar die zit hier helemaal niet meer", wierp Jaap de man tegen.
"Dan staat ie er veur als ie kumpt"
"En dan?"
"Aan de riek steke, of een jerrycan benzine halen, er overheen gooien, lucifer er bij en klaar is kees. Dan hoef je hem niet eens aan te vatten"




Uitgraven van burchten

Een efficiënte maar tijdrovende manier om dassen te vangen, was het uitgraven. Zo kon je een hele familie in één keer vangen.
Men maakte gebruik van hondjes, die door hun geblaf onder de grond aangaven waar de dassen zaten. Men kon dan gericht graven terwijl de honden de dassen bezig hielden.
Soms duurde het dagen voordat de dassen gevangen waren.
Er werd ook veel met vergiftigd aas gewerkt. Als gif diende strychnine, waarmee het aas werd ingespoten. Een das die dat aas opat, raakte niet lang daarna verlamd en stierf een pijnlijke dood.

In Frankrijk worden momenteel nog steeds dassenburchten uitgegraven, er worden zelf wedstrijden georganiseerd in het opgraven van dassen (‘concours de déterrage de blaireaux’).



Vergassen

Vergassen van dassen gebeurde in Nederland vaak met behulp van een tractor. De uitlaatgassen werden via een slang de burcht ingepompt, nadat de andere holen zorgvuldig werden afgesloten. Ook met rook, water of gier werden de dieren uit hun burcht gedreven, om bovengronds te worden afgeslacht.

Dassen werden zelfs hun hol uitgeblazen met carbid. Zo werden op landgoed Heyendaal bij Nijmegen, om plaats te maken voor de universiteit, de laatste dassen met behulp van carbid uit hun burcht geblazen. Dit gebeurde, nadat klemmen, strikken en zelfs zwavelzuur niet het gewenste resultaat hadden. Na afloop hingen de dassen in de bomen, aldus een ooggetuige.


Een ommekeer

Vanaf 1960 behoren de grote slachtingen in Nederland tot het verleden. Natuurbeschermers en jagers trachten, ieder op eigen wijze, bij te dragen aan de wederopbouw van de dassenpopulatie. Er waren massa’s dassen gesneuveld, maar hun burchten bleken op veel plaatsen nog intact.
Er werden dassen uitgezet op verschillende locaties, waardoor een aantal verlaten burchten weer bewoond raakten. Dat ging niet altijd goed; zo werden op de Zuid-Veluwezoom uitgezette dassen door een jachtopzichter onmiddellijk weer doodgeschoten.

Toch herstelde de dassenstand zich slechts zeer matig, omdat de uiteengeslagen dassenpopulatie nog maar een klein aantal versnipperde leefgebieden bewoonde. Deze eilandjes lagen te ver uiteen om zonder hulp aan elkaar te kunnen groeien.
Echt herstel van de dassenpopulatie kwam echter pas vanaf 1990, toen de door Das&Boom afgedwongen voorzieningen als dassentunnels en de herintroductie van dassen door Das&Boom hun vruchten begonnen af te werpen.


verder lezen

REALISATIE: SITEWISE WEBMEDIA